Ochtendmalen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikochtendmaalochtendmaaldeheb geochtendmaald
jij, je, uochtendmaaltochtendmaaldehebt geochtendmaald
hij, zij, hetochtendmaaltochtendmaaldeheeft geochtendmaald
wijochtendmalenochtendmaaldenhebben geochtendmaald
jullieochtendmalenochtendmaaldenhebben geochtendmaald
zij, zeochtendmalenochtendmaaldenhebben geochtendmaald