Officiëren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikofficieerofficieerdeheb geofficieerd
jij, je, uofficieertofficieerdehebt geofficieerd
hij, zij, hetofficieertofficieerdeheeft geofficieerd
wijofficiërenofficieerdenhebben geofficieerd
jullieofficiërenofficieerdenhebben geofficieerd
zij, zeofficiërenofficieerdenhebben geofficieerd