Ombladeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikblader ombladerde omheb omgebladerd
jij, je, ubladert ombladerde omhebt omgebladerd
hij, zij, hetbladert ombladerde omheeft omgebladerd
wijbladeren ombladerden omhebben omgebladerd
julliebladeren ombladerden omhebben omgebladerd
zij, zebladeren ombladerden omhebben omgebladerd