Omhelzen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikomhelsomhelsdeheb omhelsd
jij, je, uomhelstomhelsdehebt omhelsd
hij, zij, hetomhelstomhelsdeheeft omhelsd
wijomhelzenomhelsdenhebben omhelsd
jullieomhelzenomhelsdenhebben omhelsd
zij, zeomhelzenomhelsdenhebben omhelsd