Omkleden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikomkleedomkleeddeheb omkleed
jij, je, uomkleedtomkleeddehebt omkleed
hij, zij, hetomkleedtomkleeddeheeft omkleed
wijomkledenomkleeddenhebben omkleed
jullieomkledenomkleeddenhebben omkleed
zij, zeomkledenomkleeddenhebben omkleed