Omkopen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkoop omkocht omheb omgekocht
jij, je, ukoopt omkocht omhebt omgekocht
hij, zij, hetkoopt omkocht omheeft omgekocht
wijkopen omkochten omhebben omgekocht
julliekopen omkochten omhebben omgekocht
zij, zekopen omkochten omhebben omgekocht