Ontleren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontleerontleerdeheb ontleerd
jij, je, uontleertontleerdehebt ontleerd
hij, zij, hetontleertontleerdeheeft ontleerd
wijontlerenontleerdenhebben ontleerd
jullieontlerenontleerdenhebben ontleerd
zij, zeontlerenontleerdenhebben ontleerd