Ontmenselijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontmenselijkontmenselijkteheb ontmenselijkt
jij, je, uontmenselijktontmenselijktehebt ontmenselijkt
hij, zij, hetontmenselijktontmenselijkteheeft ontmenselijkt
wijontmenselijkenontmenselijktenhebben ontmenselijkt
jullieontmenselijkenontmenselijktenhebben ontmenselijkt
zij, zeontmenselijkenontmenselijktenhebben ontmenselijkt