Ontwijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontwijkontweekheb ontweken
jij, je, uontwijktontweekhebt ontweken
hij, zij, hetontwijktontweekheeft ontweken
wijontwijkenontwekenhebben ontweken
jullieontwijkenontwekenhebben ontweken
zij, zeontwijkenontwekenhebben ontweken