Ontzeggen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikontzegontzegde;ontzeiheb ontzegd
jij, je, uontzegtontzegde;ontzeihebt ontzegd
hij, zij, hetontzegtontzegde;ontzeiheeft ontzegd
wijontzeggenontzegden;ontzeidenhebben ontzegd
jullieontzeggenontzegden;ontzeidenhebben ontzegd
zij, zeontzeggenontzegden;ontzeidenhebben ontzegd