Opbomen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikboom opboomde opheb opgeboomd
jij, je, uboomt opboomde ophebt opgeboomd
hij, zij, hetboomt opboomde opheeft opgeboomd
wijbomen opboomden ophebben opgeboomd
julliebomen opboomden ophebben opgeboomd
zij, zebomen opboomden ophebben opgeboomd