Opdonderen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdonder opdonderde opheb opgedonderd
jij, je, udondert opdonderde ophebt opgedonderd
hij, zij, hetdondert opdonderde opheeft opgedonderd
wijdonderen opdonderden ophebben opgedonderd
julliedonderen opdonderden ophebben opgedonderd
zij, zedonderen opdonderden ophebben opgedonderd