Openblijven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikblijf openbleef openben opengebleven
jij, je, ublijft openbleef openbent opengebleven
hij, zij, hetblijft openbleef openis opengebleven
wijblijven openbleven openzijn opengebleven
jullieblijven openbleven openzijn opengebleven
zij, zeblijven openbleven openzijn opengebleven