Openleggen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikleg openlegde openheb opengelegd
jij, je, ulegt openlegde openhebt opengelegd
hij, zij, hetlegt openlegde openheeft opengelegd
wijleggen openlegden openhebben opengelegd
jullieleggen openlegden openhebben opengelegd
zij, zeleggen openlegden openhebben opengelegd