Verknechten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverknechtverknechtteheb verknecht
jij, je, uverknechtverknechttehebt verknecht
hij, zij, hetverknechtverknechtteheeft verknecht
wijverknechtenverknechttenhebben verknecht
jullieverknechtenverknechttenhebben verknecht
zij, zeverknechtenverknechttenhebben verknecht