Verlevendigen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverlevendigverlevendigdeheb verlevendigd
jij, je, uverlevendigtverlevendigdehebt verlevendigd
hij, zij, hetverlevendigtverlevendigdeheeft verlevendigd
wijverlevendigenverlevendigdenhebben verlevendigd
jullieverlevendigenverlevendigdenhebben verlevendigd
zij, zeverlevendigenverlevendigdenhebben verlevendigd