Verloven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverloofverloofdeheb verloofd
jij, je, uverlooftverloofdehebt verloofd
hij, zij, hetverlooftverloofdeheeft verloofd
wijverlovenverloofdenhebben verloofd
jullieverlovenverloofdenhebben verloofd
zij, zeverlovenverloofdenhebben verloofd