Vernachten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvernachtvernachtteheb vernacht
jij, je, uvernachtvernachttehebt vernacht
hij, zij, hetvernachtvernachtteheeft vernacht
wijvernachtenvernachttenhebben vernacht
jullievernachtenvernachttenhebben vernacht
zij, zevernachtenvernachttenhebben vernacht