Vernielen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvernielvernieldeheb vernield
jij, je, uvernieltvernieldehebt vernield
hij, zij, hetvernieltvernieldeheeft vernield
wijvernielenvernieldenhebben vernield
jullievernielenvernieldenhebben vernield
zij, zevernielenvernieldenhebben vernield