Veroorzaken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikveroorzaakveroorzaakteheb veroorzaakt
jij, je, uveroorzaaktveroorzaaktehebt veroorzaakt
hij, zij, hetveroorzaaktveroorzaakteheeft veroorzaakt
wijveroorzakenveroorzaaktenhebben veroorzaakt
jullieveroorzakenveroorzaaktenhebben veroorzaakt
zij, zeveroorzakenveroorzaaktenhebben veroorzaakt