Verstedelijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverstedelijkverstedelijkteben verstedelijkt
jij, je, uverstedelijktverstedelijktebent verstedelijkt
hij, zij, hetverstedelijktverstedelijkteis verstedelijkt
wijverstedelijkenverstedelijktenzijn verstedelijkt
jullieverstedelijkenverstedelijktenzijn verstedelijkt
zij, zeverstedelijkenverstedelijktenzijn verstedelijkt