Verstoelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverstoelverstoeldeheb verstoeld
jij, je, uverstoeltverstoeldehebt verstoeld
hij, zij, hetverstoeltverstoeldeheeft verstoeld
wijverstoelenverstoeldenhebben verstoeld
jullieverstoelenverstoeldenhebben verstoeld
zij, zeverstoelenverstoeldenhebben verstoeld