Verstoppen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverstopverstopteheb verstopt
jij, je, uverstoptverstoptehebt verstopt
hij, zij, hetverstoptverstopteheeft verstopt
wijverstoppenverstoptenhebben verstopt
jullieverstoppenverstoptenhebben verstopt
zij, zeverstoppenverstoptenhebben verstopt