Verwelkomen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikverwelkomverwelkomdeheb verwelkomd
jij, je, uverwelkomtverwelkomdehebt verwelkomd
hij, zij, hetverwelkomtverwelkomdeheeft verwelkomd
wijverwelkomenverwelkomdenhebben verwelkomd
jullieverwelkomenverwelkomdenhebben verwelkomd
zij, zeverwelkomenverwelkomdenhebben verwelkomd