Vlakken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvlakvlakteheb gevlakt
jij, je, uvlaktvlaktehebt gevlakt
hij, zij, hetvlaktvlakteheeft gevlakt
wijvlakkenvlaktenhebben gevlakt
jullievlakkenvlaktenhebben gevlakt
zij, zevlakkenvlaktenhebben gevlakt