Vogelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvogelvogeldeheb gevogeld
jij, je, uvogeltvogeldehebt gevogeld
hij, zij, hetvogeltvogeldeheeft gevogeld
wijvogelenvogeldenhebben gevogeld
jullievogelenvogeldenhebben gevogeld
zij, zevogelenvogeldenhebben gevogeld