Voortbrengen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbreng voortbracht voortheb voortgebracht
jij, je, ubrengt voortbracht voorthebt voortgebracht
hij, zij, hetbrengt voortbracht voortheeft voortgebracht
wijbrengen voortbrachten voorthebben voortgebracht
julliebrengen voortbrachten voorthebben voortgebracht
zij, zebrengen voortbrachten voorthebben voortgebracht