Vrijvechten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvecht vrijvocht vrijheb vrijgevochten
jij, je, uvecht vrijvocht vrijhebt vrijgevochten
hij, zij, hetvecht vrijvocht vrijheeft vrijgevochten
wijvechten vrijvochten vrijhebben vrijgevochten
jullievechten vrijvochten vrijhebben vrijgevochten
zij, zevechten vrijvochten vrijhebben vrijgevochten