Waarschuwen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwaarschuwwaarschuwdeheb gewaarschuwd
jij, je, uwaarschuwtwaarschuwdehebt gewaarschuwd
hij, zij, hetwaarschuwtwaarschuwdeheeft gewaarschuwd
wijwaarschuwenwaarschuwdenhebben gewaarschuwd
julliewaarschuwenwaarschuwdenhebben gewaarschuwd
zij, zewaarschuwenwaarschuwdenhebben gewaarschuwd