Wassen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwaswasteheb gewassen
jij, je, uwastwastehebt gewassen
hij, zij, hetwastwasteheeft gewassen
wijwassenwastenhebben gewassen
julliewassenwastenhebben gewassen
zij, zewassenwastenhebben gewassen