Westelijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwestelijkwestelijkteben gewestelijkt
jij, je, uwestelijktwestelijktebent gewestelijkt
hij, zij, hetwestelijktwestelijkteis gewestelijkt
wijwestelijkenwestelijktenzijn gewestelijkt
julliewestelijkenwestelijktenzijn gewestelijkt
zij, zewestelijkenwestelijktenzijn gewestelijkt