Wieroken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwierookwierookteheb gewierookt
jij, je, uwierooktwierooktehebt gewierookt
hij, zij, hetwierooktwierookteheeft gewierookt
wijwierokenwierooktenhebben gewierookt
julliewierokenwierooktenhebben gewierookt
zij, zewierokenwierooktenhebben gewierookt