Windsurfen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwindsurfwindsurfteheb gewindsurft
jij, je, uwindsurftwindsurftehebt gewindsurft
hij, zij, hetwindsurftwindsurfteheeft gewindsurft
wijwindsurfenwindsurftenhebben gewindsurft
julliewindsurfenwindsurftenhebben gewindsurft
zij, zewindsurfenwindsurftenhebben gewindsurft