Zegevieren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzegevierzegevierdeheb gezegevierd
jij, je, uzegeviertzegevierdehebt gezegevierd
hij, zij, hetzegeviertzegevierdeheeft gezegevierd
wijzegevierenzegevierdenhebben gezegevierd
julliezegevierenzegevierdenhebben gezegevierd
zij, zezegevierenzegevierdenhebben gezegevierd