Ziek melden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmeld ziekmeldde ziekheb ziekgemeld
jij, je, umeldt ziekmeldde ziekhebt ziekgemeld
hij, zij, hetmeldt ziekmeldde ziekheeft ziekgemeld
wijmelden ziekmeldden ziekhebben ziekgemeld
julliemelden ziekmeldden ziekhebben ziekgemeld
zij, zemelden ziekmeldden ziekhebben ziekgemeld