Zonnen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzonzondeheb gezond
jij, je, uzontzondehebt gezond
hij, zij, hetzontzondeheeft gezond
wijzonnenzondenhebben gezond
julliezonnenzondenhebben gezond
zij, zezonnenzondenhebben gezond