Zouten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzoutzoutteheb gezouten
jij, je, uzoutzouttehebt gezouten
hij, zij, hetzoutzoutteheeft gezouten
wijzoutenzouttenhebben gezouten
julliezoutenzouttenhebben gezouten
zij, zezoutenzouttenhebben gezouten