Zwartvissen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvis zwartviste zwartheb zwartgevist
jij, je, uvist zwartviste zwarthebt zwartgevist
hij, zij, hetvist zwartviste zwartheeft zwartgevist
wijvissen zwartvisten zwarthebben zwartgevist
jullievissen zwartvisten zwarthebben zwartgevist
zij, zevissen zwartvisten zwarthebben zwartgevist