Zwemen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzweemzweemdeheb gezweemd
jij, je, uzweemtzweemdehebt gezweemd
hij, zij, hetzweemtzweemdeheeft gezweemd
wijzwemenzweemdenhebben gezweemd
julliezwemenzweemdenhebben gezweemd
zij, zezwemenzweemdenhebben gezweemd