Afbetalen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbetaal afbetaalde afheb afbetaald
jij, je, ubetaalt afbetaalde afhebt afbetaald
hij, zij, hetbetaalt afbetaalde afheeft afbetaald
wijbetalen afbetaalden afhebben afbetaald
julliebetalen afbetaalden afhebben afbetaald
zij, zebetalen afbetaalden afhebben afbetaald