Africhten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikricht africhtte afheb afgericht
jij, je, uricht africhtte afhebt afgericht
hij, zij, hetricht africhtte afheeft afgericht
wijrichten africhtten afhebben afgericht
jullierichten africhtten afhebben afgericht
zij, zerichten africhtten afhebben afgericht