Afschaduwen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschaduw afschaduwde afheb afgeschaduwd
jij, je, uschaduwt afschaduwde afhebt afgeschaduwd
hij, zij, hetschaduwt afschaduwde afheeft afgeschaduwd
wijschaduwen afschaduwden afhebben afgeschaduwd
jullieschaduwen afschaduwden afhebben afgeschaduwd
zij, zeschaduwen afschaduwden afhebben afgeschaduwd