Afsleuren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksleur afsleurde afheb afgesleurd
jij, je, usleurt afsleurde afhebt afgesleurd
hij, zij, hetsleurt afsleurde afheeft afgesleurd
wijsleuren afsleurden afhebben afgesleurd
julliesleuren afsleurden afhebben afgesleurd
zij, zesleuren afsleurden afhebben afgesleurd