Afstraffen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstraf afstrafte afheb afgestraft
jij, je, ustraft afstrafte afhebt afgestraft
hij, zij, hetstraft afstrafte afheeft afgestraft
wijstraffen afstraften afhebben afgestraft
julliestraffen afstraften afhebben afgestraft
zij, zestraffen afstraften afhebben afgestraft