Afzuchten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzucht afzuchtte afheb afgezucht
jij, je, uzucht afzuchtte afhebt afgezucht
hij, zij, hetzucht afzuchtte afheeft afgezucht
wijzuchten afzuchtten afhebben afgezucht
julliezuchten afzuchtten afhebben afgezucht
zij, zezuchten afzuchtten afhebben afgezucht