Alfabetiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikalfabetiseeralfabetiseerdeheb gealfabetiseerd
jij, je, ualfabetiseertalfabetiseerdehebt gealfabetiseerd
hij, zij, hetalfabetiseertalfabetiseerdeheeft gealfabetiseerd
wijalfabetiserenalfabetiseerdenhebben gealfabetiseerd
julliealfabetiserenalfabetiseerdenhebben gealfabetiseerd
zij, zealfabetiserenalfabetiseerdenhebben gealfabetiseerd