Analogiseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikanalogiseeranalogiseerdeheb geanalogiseerd
jij, je, uanalogiseertanalogiseerdehebt geanalogiseerd
hij, zij, hetanalogiseertanalogiseerdeheeft geanalogiseerd
wijanalogiserenanalogiseerdenhebben geanalogiseerd
jullieanalogiserenanalogiseerdenhebben geanalogiseerd
zij, zeanalogiserenanalogiseerdenhebben geanalogiseerd