Babysitten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbabysitbabysitteheb gebabysit
jij, je, ubabysitbabysittehebt gebabysit
hij, zij, hetbabysitbabysitteheeft gebabysit
wijbabysittenbabysittenhebben gebabysit
julliebabysittenbabysittenhebben gebabysit
zij, zebabysittenbabysittenhebben gebabysit