dagen
| Presens | Imperfectum | Perfectum | |
|---|---|---|---|
| ik | daag | daagde | heb gedaagd |
| jij, je, u | daagt | daagde | hebt gedaagd |
| hij, zij, het | daagt | daagde | heeft gedaagd |
| wij | dagen | daagden | hebben gedaagd |
| jullie | dagen | daagden | hebben gedaagd |
| zij, ze | dagen | daagden | hebben gedaagd |
Presens
Example presens sentences for Dagen with some of the pronouns.
- Ik daag je uit voor een spelletje.
- De zon schijnt al dagenlang.
- Hij daagt zijn tegenstanders constant uit.
- We dagen onszelf uit om beter te worden.
- Jullie dagen elkaar uit met jullie grappen.
Imperfectum
Example imperfectum sentences for Dagen with some of the pronouns.
- Gisteren daagde ik hem uit voor een wedstrijd.
- Vorige week scheen de zon dagen achter elkaar.
- Toen ik jong was, daagde ik mijn vrienden altijd uit.
- Ze daagden ons uit om het onmogelijke te bereiken.
- Jullie daagden elkaar voortdurend uit tijdens de training.
Perfectum
Example perfectum sentences for Dagen with some of the pronouns.
- Ik heb je gisteren uitgedaagd voor een spelletje.
- De zon heeft de afgelopen dagen volop geschenen.
- Hij heeft zijn tegenstanders constant uitgedaagd.
- We hebben onszelf uitgedaagd om beter te worden.
- Jullie hebben elkaar uitgedaagd met jullie grappen.