Kwijtschelden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikscheld kwijtschold kwijtheb kwijtgescholden
jij, je, uscheldt kwijtschold kwijthebt kwijtgescholden
hij, zij, hetscheldt kwijtschold kwijtheeft kwijtgescholden
wijschelden kwijtscholden kwijthebben kwijtgescholden
jullieschelden kwijtscholden kwijthebben kwijtgescholden
zij, zeschelden kwijtscholden kwijthebben kwijtgescholden